vrijdag 4 september 2015

runners die too.

Ik heb geen verrekijker meer nodig om daar tussen de golven van de tijd het eiland 40 te zien liggen. In een ijdele poging om het schip te keren heb ook ik me gewend tot de godin van de eeuwige jeugd: “Red me, Evy!”

U moet weten, beste lezer, dat de dokter van het medisch schooltoezicht altijd op een stoel moest klimmen om mijn lengte te kunnen aflezen. En dat ik bij een volleybalwedstrijd eens een meisje van de tegenpartij aan het huilen heb gebracht, gewoon door op het veld te verschijnen. En toen deze week op het werk een Tsjetsjeense papa mij voor het eerst zag, zei hij alleen maar: ”Hoog, hoog!”

Het was dus met ellenlange benen dat ik me ineens in dure loopschoenen onder luide aanmoediging van Evy aan de oever van de Schelde bevond. Ik was een impala en het jaagpad was de savanne en Evy vond dat ik het fantastisch deed. “Runners die too” staat er op de brug gekrabbeld, maar ik liep daar met grote elegante passen onderdoor. Rechte rug, kin omhoog, voorbijgangers wezen me na en fluisterden “Ze zweeft!”

Het bleef onnoemelijk veel wilskracht vragen om me telkens weer in mijn flashy looppakje te hijsen en ik bleek geen aanleg te hebben voor een runner’s high, dus echt leuk werd het eigenlijk nooit. Maar als ik achteraf met een knalrood hoofd onder de douche stond, kon ik zo genieten van het gevoel een topwijf te zijn, een vrouw die alles onder controle heeft, een vrouw die alles aankan, een vrouw die nooit 40 zal worden.

Gaandeweg echter veranderde er iets in Evy’s houding. Ze begon me te vragen naar de inhoud van mijn snoepkast. Ze stelde voor om na het lopen nog enkele buikspieroefeningen te doen. Ze wou weten of ik wel op tijd in bed kroop. Ik liep me drie keer per week in het zweet, maar voor Evy was dat niet genoeg. Toen ze begon over zwemmen en wandelen tussen het lopen door, was de maat vol. “Ga op een ander slaven drijven,” dacht ik en voortaan liet ik Evy thuis.

Voortaan ging ik alléén draven langs de Schelde. Ik miste het gejengel van Evy hoegenaamd niet en genoot van de stilte. Tot ik me, bevrijd van mijn koptelefoon, bewust werd van allerlei storende geluiden. Waar kwam dat zware en snelle gehijg vandaan, heeft hier iemand een ontstoken long of een zware allergie?   Die doffe dreun telkens mijn voet de grond raakte, zou er een verband zijn? De paarden langs het pad wipten met elke pas van mij een beetje de hoogte in en de bewondering die ik vroeger in hun ogen las, bleek gewoon medelijden te zijn.

Ineens zag ik hoe ik er écht bij liep: als een astmatische olifant in fluo polyester.

Ik merkte nu ook op dat ik wel erg vaak werd ingehaald door andere renners die me geruisloos als een impala voorbij schoten.

Toen besloot ik gewoon rustig in de zetel 40 te worden.


Het is niet gemakkelijk om een luie taart te zijn in het lichaam van een topatlete.

2 opmerkingen: